sterfhuis

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sterf·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sterfhuis sterfhuizen
verkleinwoord sterfhuisje sterfhuisjes

Zelfstandig naamwoord

sterfhuis o [2]

  1. laatste woonplaats van een overledene
  2. de verlieslijdende onderdelen van een concern die achterblijven na de overdracht van de gezonde
  3. verblijfhuis voor terminale patiënten
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen