staartstuk

Nederlands

 
staartstuk van een gitaar met een R
 
het typische staartstuk van de F70
Uitspraak
Woordafbreking
  • staart·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord staartstuk staartstukken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

staartstuk o [1]

  1. achterste deel van een snaarinstrument waar de snaren aan vastzitten
    • Tegenwoordig moeten strijkinstrumenten verder kunnen reiken dan vroeger, harder klinken om grotere concertzalen te kunnen bedienen. Dat betekent dus ook de Messias aanpassen. Er een langere hals op zetten, onder een andere hoek, zodat het instrument de druk van de dikkere snaren kan weerstaan. En als staartstuk ligt er al een prachtig snijwerkje van het kindje Jezus in zijn kribbe klaar. [2] 
  2. achterste deel van een vliegtuig
    • Morgen maken de vliegtuigen een laatste 'fly-over'om vervolgens in het Britse Norwich van alle KLM-kleuren te worden gestript. Daarna gaan ze naar kopers in Azië en Zuid-Amerika. Ook wordt dan een Fokker-monument onthuld op Schiphol-Oost, in de vorm van het karakteristieke staartstuk.[3] 
  3. achterste deel van een stuk wild
    • Het staartstuk van Angus Aberdeen, mooi gekorst en versneden, is onberispelijk van kwaliteit en gaartijd, de frieten zijn uitmuntend, de bearnaise is maar half gelukt en het slaatje werd aangemaakt met een waterig-zurige vinaigrette.[4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Winter, Julian De Messias [2015] ISBN 978-90-446-2746-6 pagina 215
  3. Tubantia Sonny in 't Zandt 28-OKTOBER-17,
  4. de Standaard 27 FEBRUARI 2016 Door Bruno Vanspauwen
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be