Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speek
enkelvoud meervoud
naamwoord speek speken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

speek v/m [1]

  1. dun, staafvormig stuk metaal dat de verbinding vormt tussen velg en as van een wiel
  2. staaf metaal in het algemeen
  3. onbeschoft
  4. speeksel
Synoniemen

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

speek

  1. spaak