scheepskist
  • scheeps·kist
enkelvoud meervoud
naamwoord scheepskist scheepskisten
verkleinwoord

de scheepskistv / m [1]

  1. kist waarin een schepeling zijn persoonlijke eigendommen herbergt
     't Was alles naar zijn aard en bestemming; de timmerlui sjouwden hun gereedschap van karwei naar karwei, in zelfgemaakte bakken, van oorgaten voorzien; loodgieters hadden leêren tasschen noodig met een platte bodem, opdat de zak kon blijven staan; zeelui behoefden in hun scheepskist 'n bakje voor naald, garen en pinkring en Jaap was aan het sparen voor een diamant, het allereerst noodige.[2]
     De leerlingen van groep 6 van de rooms-katholieke basisschool Sint Sebastianus aan de Bibenstraat werden deze week verrast met een bezoekje van bestuurslid Johan Hegeman van de eerder genoemde regionale stichting en zompenschipper Wim Nijmeijer, die zich voor deze gelegenheid ook als zodanig had uitgedost. Ze hadden een eikenhouten scheepskist bij zich, die was gevuld met allerlei producten die in het verleden door de zomp werden vervoerd. Er zat onder meer turf, hout, katoen, linnen, Bentheimer zandsteen, lijnolie en eieren in de leskist.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. “Jaap” (1923), Saga, ISBN 9788728433294
  3.   Weblink bron
    Han Haveman
    “'Regge was destijds de A1 van deze tijd'” (05-05-2017), Tubantia