rijwoning

huis uit een reeks tegen elkaar staande huizen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·wo·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijwoning rijwoningen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rijwoning v

  1. huis uit een reeks tegen elkaar staande huizen
Synoniemen

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be