• re·sis·tent
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen resistent resistenter resistentst
verbogen resistente resistentere resistentste
partitief resistents resistenters -

resistent

  1. bestand tegen
  2. (medisch) bestand tegen ziektes, immuun, onvatbaar
    • Bacteriofagen kunnen specifieke bacteriën in het lichaam te lijf gaan. In tegenstelling tot antibiotica kan iemand - zoals het nu lijkt - niet resistent worden. [2] 
    • 'Kwart supermarktkippen bevat resistente bacteriën' [3] 
97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]