praatzucht


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • praat·zucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord praatzucht
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

praatzucht v/m [1]

  1. de neiging om al te veel te willen praten
     Het werk vlotte sneller, maar toch drong er nog een overbodige praatzucht in door.[2]
     Van de dieren en de lelies valt te leren dat de mens zich niet moet afbeulen op deze aarde, maar blij, eenvoudig, rustig, vertrouwend zijn weg moet gaan. „Alle wereldse zorgen komen eruit voort dat een mens er niet genoeg aan wil hebben mens te zijn, dat hij in het bezorgd vergelijken haakt naar de verschillen.” De heiden heeft immers zorgen voor de dag van morgen, „die onzalige dag, die de uitvinding is van praatzucht en ongehoorzaamheid.”[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028261396
  3.   Weblink bron Klaas van der Zwaag   “De plicht tot volwassenheid” (12 februari 2011), Reformatorisch Dagblad