Latijn

Uitspraak
Woordafbreking
  • plu·ra·le tan·tum
Woordherkomst en -opbouw
  • verbinding van  plurale zn  ‘meervoud, het meervoudige’ en  tantum bn  ‘alleen’
enkelvoud meervoud
naamwoord plurale tantum pluralia tantum
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

plurale tantum o

  1. aanduiding voor een woord dat als regel enkel in de meervoudsvorm wordt gebruikt
    • Een voorbeeld in het Nederlands is vlegeljaren; vlegeljaar, het grammaticaal enkelvoud, is niet in zwang. 
Antoniemen
Verwante begrippen