opknopen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·kno·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

opknopen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opknopen
knoopte op
opgeknoopt
zwak -t volledig
  1. iets ophangen door het met een touw ergens aan vast te binden
  2. iemand of jezelf verhangen tot de dood erop volgt
    • Het tarten van het lot en de overduidelijk rigoureuze manier van jezelf opknopen snap ik ook. Maar mijn verzoek aan de toekomstige zelfmoordenaar is simpel: hou de treinmachinist en een klas onschuldige schoolkinderen erbuiten. [1] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC 20 januari 2017
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be