omhullen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·hul·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omhullen
omhulde
omhuld
zwak -d volledig

Werkwoord

omhullen

  1. overgankelijk rondom met een laag bedekken
    • Hij moest zijn schouders en benen omhullen met een lap stof voordat hij de tempel mocht betreden. 
  2. wederkerend zich ~: zichzelf rondom bedekken
    • De rups omhulde zich met een cocon van gesponnen zijde. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be