nuttigen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nut·ti·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘spijs gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nuttigen
nuttigde
genuttigd
zwak -d volledig

Werkwoord

nuttigen

  1. overgankelijk voedsel gebruiken
    • Hij nuttigde een eenvoudige maaltijd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen