naaldboom

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • naald·boom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord naaldboom naaldbomen
verkleinwoord naaldboompje naaldboompjes

Zelfstandig naamwoord

naaldboom m

  1. conifeer (kegeldrager)
    • De meeste coniferen zijn bladhoudend, maar er zijn ook enkele soorten die 's winters de naalden verliezen, zoals de lariks, de watercipres en de moerascipres. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be