Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
logen
loogde
geloogd
zwak -d volledig

Werkwoord

logen

  1. overgankelijk langdurig blootstellen aan een bijtende vloeistof
    • Ik loogde dus de kasten en de kisten gewoon achter of voor mijn huis; het zou nu niet meer mogen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
liegen

logen

  1. meervoud verleden tijd van liegen
    • Wij logen. 
    • Jullie logen. 
    • Zij logen. 

Zelfstandig naamwoord

logen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord loog

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be