lievelingsdichter

  • lie·ve·lings·dich·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord lievelingsdichter lievelingsdichters
verkleinwoord - -

delievelingsdichterm

  1. (letterkunde) schrijver van poëzie die je het meest waardeert
     Een van zijn lievelingsdichters was Bert Schierbeek van wie hij met overtuiging poëzie citeerde, zoals uit De deur (1972): „omdat we samen waren/ en zoveel gelachen hebben dat we/ het nooit zullen vergeten.”[2]
     Ze citeert uit een gedicht van haar lievelingsdichter Osip Mandelstam.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 27 juli 2022 Weblink bron
    Kester Freriks
    “Theatrale vrijbuiter met een groot hart voor poëzie” (23 maart 2020) op nrc.nl op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 27 juli 2022 Weblink bron
    Rinskje Koelewijn
    “‘Angst is goed’” (2 juli 2016) op nrc.nl op Wikipedia