leedwezen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leed·we·zen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leedwezen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

leedwezen o [1]

  1. verdriet, spijt
    • Het is met groot leedwezen dat wij kennisnamen van zijn overlijden. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen