• koe·ke·peer
enkelvoud meervoud
naamwoord koekepeer koekeperen
verkleinwoord koekepeertje koekepeertjes

de koekepeerv / m

  1. een onhandig persoon
    • En al missen we in het aanbod van morgenavond, bijna allemaal herhalingen, VPRO-klappers als Theo & Thea, De freules en Meneer de Koekepeer, er valt genoeg te genieten: van de korte film Tijger van André van Duren bijvoorbeeld, en van afleveringen van Midas Dekkers' dierenserie Pootjes ('wetenschappelijk en toch leuk') en de veel bejubelde dramaserie De man met de hoed. [1] 
    • Hij omschrijft zichzelf in die tijd als `het jongetje met het brilletje'. “`Bert van der Veer koekepeer', werd ik genoemd. [2] 
    • Waarom zouden mensen niet 'jóden' mogen roepen, ook al slaat het nergens op? Kinderen roepen 'Meneer de Koekepeer', dat slaat ook nergens op. En stel dat er 'Bélgen, Bélgen' werd gebruld, zou dat dan ook zo in mijn kop boren? [3] 
87 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[4]
  1. NRC Carolien Zilverberg 27 augustus 1994 Kinderen liggen tijdens Jeugd-TV Gala allang op één oor
  2. NRC Japke-d. Bouma 19 oktober 1998 Een Nescio in de harde omroepwereld
  3. NRC Hans Aarsman 18 mei 1998 Zapman
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be