• knut·se·len
  • In de betekenis van ‘fabrieken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1785 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knutselen
knutselde
geknutseld
zwak -d volledig

knutselen

  1. inergatief zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
    • Hij knutselde graag in zijn vrije tijd. 
  2. inergatief met weinig hulpmiddelen construeren
    • Zij moest erg knutselen om dat kleine stukje hout op de goede plaats te krijgen. 
     Thuis had ik een systeem in elkaar geknutseld met klittenband die de paraplu aan mijn rugzak bevestigde, waardoor ik mijn handen vrijhield voor mijn wandelstokken.[2]
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]