kittelig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kit·te·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kittelig kitteliger kitteligst
verbogen kittelige kitteligere kitteligste
partitief kitteligs kitteligers -

Bijvoeglijk naamwoord

kittelig [1]

  1. graag gestreeld worden
  2. juist geen gekietel kunnen verdragen
  3. dartel, minnedriftig, geil

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders;
55 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen