ijspaleis

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·pa·leis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijspaleis ijspaleizen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ijspaleis o

  1. een paleis gemaakt van ijs
    • Voor het eerst in vijf jaar tijd is het mogelijk om in de winter bij dit prachtige ijspaleis te komen. Normaal gesproken is het ijs van Lake Superior niet sterk genoeg, maar nu kunnen toeristen via het meer rechtstreeks de zeegrot in wandelen.[1] 
    • De Efteling heeft zondag verschillende attracties moeten sluiten vanwege het winterweer. Zo werd het IJspaleis ontruimd en waren buitenachtbanen gesloten. Ook het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem moest bezoekers teleurstellen, evenals de organisatie van het Winter Vuurwerk Festival in Scheveningen.[2] 
  2. overdekte schaatsbaan
    • Ireen Wüst zal over twee weken niet aan de start verschijnen van de NK allround in Heerenveen. "Misschien doe ik in dat weekeinde in Thialf nog wel mee aan de NK sprint. Het kan ook zijn dat ik voor een extra trainingskamp kies. Ik weet het nog niet", zei de Brabantse topschaatsster nadat ze zaterdag in het Friese ijspaleis voor de vijfde keer de Europese titel allround had gewonnen.[3] 
  3. een winkel waar men consumptieijs kan kopen
    • Het IJspaleis, in een zijstraatje van de Albert Cuyp, 1e Sweelinckstraat, verkoopt ijs voor betaalbare prijzen. Kies uit de vele smaken en geniet in het Sarphatipark aan het eind van de straat van je ijsje.[4] 
  4. (figuurlijk) een koud onverwarmd huis

Meer informatie

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 29 jan. 2014
  2. de Telegraaf 10 dec. 2017
  3. de Telegraaf 07 jan. 2017
  4. de Telegraaf CAROLINE VLIETSTRA 05 mrt. 2016
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be