• idem
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bijwoord: de- of hetzelfde’ voor het eerst aangetroffen in 1515 [1]
  • van Middelnederlands idem dat geleidelijk de betekenis van item overnam [2][3]

idem

  1. dezelfde, hetzelfde, net zo, gebruikt om aan te geven dat een eerdere uitspraak hier opnieuw van toepassing is
    • Het is niet van iemands politieke kleur afhankelijk of hij goed of slecht samenwerkt met zijn collega die vrouw, zwart, genderneutraal et cetera is. Idem voor allerlei kennisfeiten die men aanhangt: medewerkers met ‘bizarre meningen’ kunnen onwijs toffe collega’s zijn, ook in heel diverse teams. [4]
98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]


idem; bepalend voornaamwoord; m nominativus enkelvoud en o nominativus & accusativus enkelvoud

  1. dezelfde, hetzelfde

Verbuiging m

Verbuiging o


idem m

  1. dezelfde man of persoon