Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesol
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesol o

  1. het aanhoudend iemand met volstrekte willekeur behandelen
    • Verdonkschot vindt dat de vertragingen en gesol rond het bouw- en bestemmingsplan vooral op het conto van de gemeente Oldenzaal moeten komen. Oldenzaal vindt dat haar niets te verwijten valt en dat de vertraging van de plannen zeker niet de schuld van de gemeente zijn. [2] 
    • "Het drama en gesol rond Lili en Howick moet echt de laatste keer zijn geweest", zegt de linkse actiegroep DeGoedeZaak, die de actie op touw zette. De groep mikt vooral op regeringspartijen D66 en ChristenUnie. Die willen ook liever meer kinderen laten blijven, maar kregen dat niet gedaan van coalitiepartners VVD en CDA. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen