Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesar
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesar o [1]

  1. het aanhoudend treiteren, plagen, jennen of tergen van iets of iemand
     Ze hebben een fles sherry op als de vrouw van Ben H. begint te jennen. Ze sneert over zijn overleden ex-vrouw. De Enschedeër zit op de bedrand, lepelend aan een bord pap. Het gesar schiet hem in het verkeerde keelgat, hij gooit de hete Brinta in haar gezicht.[2]
     ,,Mensen die een elektrische scooter kopen, doen dat niet omdat ze zo graag willen, maar vanwege het gesar van de gemeente Amsterdam, zegt Wesley Stravers van de Scootstore in Amsterdam. ,,Ze hopen er nu een tijd vanaf te zijn. Daarom kopen mensen nu ook de brommerversie omdat ze bang zijn dat de gemeente ook voor de snorfiets een helmplicht invoert.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron Bert Janssen “Eis: 16 weken cel voor man uit Enschede na gooien bord hete pap naar vriendin” (10-11-2017), Tubantia
  3.   Weblink bron Ton Voermans “E-scooter wordt (met een beetje dwang) populair” (12-10-2018), Tubantia
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be