• ge·raam·te
  • In de betekenis van ‘raamwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1340 [1]
  • afgeleid van raam met het omvoegsel ge- -te dat een verzameling aangeeft [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord geraamte geraamten
geraamtes
verkleinwoord geraamtetje geraamtetjes

het geraamteo

  1. (anatomie) dat wat een lichaam stevigheid geeft. Bij zoogdieren, reptielen, vogels en andere gewervelden is het skelet het samenstel van botten (bij vissen spreekt men van graten) (endoskelet), bij geleedpotigen de harde omhulling van chitine (exoskelet).
99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]