Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gas·bek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gasbek gasbekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gasbek m [1]

  1. uiteinde van een gasbuis waar het gas kan verbranden
Synoniemen

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen