fruitteelt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fruit·teelt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fruitteelt fruitteelten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fruitteelt v/m

  1. de tak van tuinbouw die zich bezighoudt met het telen van fruit
    • De Betuwe is bekend om haar fruitteelt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be