fruitmes


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fruit·mes
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fruitmes fruitmessen
verkleinwoord fruitmesje fruitmesjes

Zelfstandig naamwoord

fruitmes o [1]

  1. (huishouden) een klein mesje dat men gebruikt voor het schillen en schoonmaken van fruit
    • Hij viel in slaap bij de man thuis, maar werd naar eigen zeggen wakker toen hij werd verkracht. Toen de man hem weer benaderde, pakte hij een fruitmes en stak. [2] 
    • Het concept is simpel: help mensen gezond te worden door ze aan te moedigen elke dag een appel te eten. In een bijpassende blikken doos zitten een fruitmes, een snijplankje en een systeem om een appel of peer in een handomdraai in partjes te snijden. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen