En fest
Een feest


  • fest
  • Ontleend aan het Duitse woord  Fest zn  "feest", dat van het Latijnse woord  festum zn  "feest" komt
Naar frequentie 949
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fest     festen     fester     festene  
genitief   fests     festens     festers     festenes  

fest, m

  1. feest
    «Gjestene er delt opp i tre puljer, og de første var på fest i rådhuset fredag ettermiddag. De to neste puljene skal på julefest lørdag og søndag.»
    De gasten zijn verdeeld in drie groepen en de eerste was op vrijdagmiddag op een feest in het gemeentehuis. De volgende twee groepen nemen deel aan het kerstfeest op zaterdag en zondag.


  • fest
  • Ontleend aan het Duitse woord  Fest zn  "feest", dat van het Latijnse woord  festum zn  "feest" komt
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fest     festen     festar     festane  

fest, m

  1. feest