erepodium

Nederlands

 
de eerste drie van een sportwedstrijd op het erepodium
Uitspraak
Woordafbreking
  • ere·po·di·um
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord erepodium erepodiums
erepodia
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

erepodium o

  1. een verhoging waarop de eerste drie van een wedstrijd staan bij het uitreiken van de medailles, hierbij staat de winnaar in het midden op de hoogste trede
    • Rijd je als Formule 1-coureur een van de beste races in je prille loopbaan, staat er op het erepodium geen rondemiss klaar om je te zoenen. Max Verstappen, als derde over de finish gegaan in de Grote Prijs van China, moet het doen met de zakelijke handdruk van één van de twaalf onderburgemeesters van Shanghai. En – ver na de race – met omhelzingen van drie heren op leeftijd met drankkegels en vip-passen.[1] 
    • Op het erepodium heeft hij nooit gestaan, toch is het Jan W. van der Hoorn die de barre Elfstedentocht van 1947 op zijn naam heeft geschreven. Hij eindigde als vijfde, totdat hij zes weken later alsnog tot winnaar werd uitgeroepen omdat de eerste vier vals hadden gespeeld. Ze hadden een beroep gedaan op verse rijders die hen uit de wind hielden, hadden stukjes afgesneden, hadden zelfs een taxi genomen of waren tussentijds op een bromfiets gesprongen. [2]  
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Oscar Garschagen 9 april 2017
  2. Volkskrant Peter de Waard 12 mei 2017
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be