eierkoek

Een aantal eierkoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·er·koek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eierkoek eierkoeken
verkleinwoord eierkoekje eierkoekjes

Zelfstandig naamwoord

eierkoek m

  1. (voeding) een goudgele luchtige ronde koek die vlak van onderen en bol van boven is met een doorsnede van 10-20 centimeter

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be