duikles

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duik·les
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duikles duiklessen
verkleinwoord duiklesje duiklesjes

Zelfstandig naamwoord

duikles v/m

  1. onderricht in het onder water zwemmen met name als er gebruik gemaakt wordt van hulpmiddelen zoals een snorkel of duikflessen
    • Tijdens de vakantie hebben wij duiklessen genomen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be