Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel·fi·na·le
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dubbelfinale dubbelfinales
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de dubbelfinalev / m

  1. (tennis) (sport) laatste, beslissende wedstrijd bij een tenniswedstrijd waarbij men met zijn tweeën speelt tegen twee tegenstanders
Hyponiemen

Gangbaarheid