braambos


Nederlands

 
het brandende braambos
 
braambos
Uitspraak
Woordafbreking
  • braam·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord braambos braambossen
verkleinwoord braambosje braambosjes

Zelfstandig naamwoord

braambos o [2]

  1. (plantkunde) Rubus   groep van een of meer braamstruiken
     Gebeurtenissen uit de oude wereld het brandende braambos, de uittocht uit Egypte, de jongelingen in de vurige oven, Jonas in de walvis et cetera, worden geplaatst naast gebeurtenissen uit de nieuwe wereld, zoals bijvoorbeeld de voorstelling van de onbevlekte ontvangenis, en de opstanding van Christus.[3]
     Het nieuwe kerkelijk zegel wordt gepresenteerd. De synode ging in 2017 akkoord met het grafisch vereenvoudigen van het kerkelijk zegel, waar Mozes en het brandende braambos op staan.[4]
Synoniemen
Hyperoniemen


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. braambos op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028261396
  4.   Weblink bron “Kerkelijk zegel” (28 januari 2020), Reformatorisch Dagblad