• bijl·tjes·dag
enkelvoud meervoud
naamwoord bijltjesdag bijltjesdagen
verkleinwoord

de bijltjesdagm

  1. term om aan te geven dat de tijd voor afrekening is gekomen na een periode van onderdrukking, uur van de waarheid, dag van de afrekening
  2. dag dat mensen verslagen worden en de strijd moeten staken
    • Het was sowieso bijltjesdag voor de Nederlandse tennissers in Melbourne. In de tweede ronde van het enkelspel viel het doek voor Kiki Bertens, de nummer negen van de wereldranglijst. [3] 
    • Raymond van Barneveld constateerde na zijn zege tegen Van der Voort dat het op het WK iedere dag bijltjesdag is. [4] 
  3. (figuurlijk) dag dat veel mensen moeten stoppen met een bezigheid
    • Lammertink is in goed gezelschap, hij is niet de enige die de Franse etappekoers vroegtijdig moet verlaten. Vandaag gingen de Nederlandse renners van LottoNL-Jumbo Lars Boom en Dylan Groenewegen al niet meer van start en tijdens de rit gaven Amund Grondahl (ook LottoNL-Jumbo) en Edward Theuns (Team Sunweb) eveneens ziek op Het was bijltjesdag in Parijs-Nice. [5] 
84 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[6]