bescheidenheid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schei·den·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bescheidenheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bescheidenheid v

  1. het de eigen verworvenheden kleiner voorstellen dan zij zijn
    • De man die generaties heeft laten schuddebuiken van het lachen is opgetrokken uit bijna banale bescheidenheid. [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen