• be·leg·gers·club
enkelvoud meervoud
naamwoord beleggersclub beleggersclubs
verkleinwoord

de beleggersclubv / m

  1. groep mensen die samen beleggingen doet
     "Het gaat uitstekend", zegt Jennifer Delano over haar beleggingen. Samen met veertien andere vrouwen vormt ze de beleggersclub Women Investment Club. "Voor coronatijd kwamen we samen, speelden we financiële bordspelen en wisselden we tips uit. Nu appen en bellen we vaak over onze beleggingen."[1]
     Imtech heeft wel vooruitgang geboekt in het geschil met gedupeerde aandeelhouders. Vandaag maakte het bedrijf bekend een schikking te hebben getroffen met beleggersclub Deminor. Van de Aast noemt dit "weer een stap om het verleden achter ons te laten". Het is de tweede schikking met gedupeerde aandeelhouders nadat het installatiebedrijf vorig jaar een overeenkomst met beleggersvereniging VEB sloot.[2]


  1.   Weblink bron “AEX voor het eerst sinds internetzeepbel door 700-puntengrens” (Maandag 29 maart 2021, 10:13), NOS
  2.   Weblink bron “Top Imtech treedt volgend jaar af” (Dinsdag 12 mei 2015, 09:28), NOS