beklemmend

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·klem·mend

Werkwoord

vervoeging van: beklemmen
verbogen vorm: beklemmende

beklemmend

  1. onvoltooid deelwoord van beklemmen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beklemmend beklemmender beklemmendst
verbogen beklemmende beklemmendere beklemmendste
partitief beklemmends beklemmenders -

Bijvoeglijk naamwoord

beklemmend

  1. benauwend, beangstigend
    • Bij angina pectoris heeft een patiënt een beklemmend gevoel op de borst. 
     Terwijl hij de plek [des onheils] naderde, zwol een naar en beklemmend gevoel in zijn onderbuik op.[1]
     De gruwelijke beelden en het beklemmende gevoel dat hiermee gepaard ging, verdwenen op slag.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be