bedrieger

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drie·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bedrieger bedriegers
verkleinwoord bedriegertje bedriegertjes

Zelfstandig naamwoord

bedrieger m

  1. iemand die een ander om de tuin leidt voor persoonlijk gewin
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be