• bar·baars·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord barbaarsheid barbaarsheden
verkleinwoord

de barbaarsheidv

  1. de gruwelijkheid, wreedheid en achterlijkheid die zou passen bij onderontwikkelde mensen en volkeren
     Het is voldoende dat een grootmacht, zoals Rusland, bekend om zijn barbaarsheid, zichzelf onbaatzuchtig aan het hoofd stelt van een bondgenootschap dat zich het evenwicht in Europa ten doel stelt en de wereld zal gered zijn![2]
     Franciscus riep in herinnering dat in de oude Egyptische beschaving de zoektocht naar kennis en een ruimdenkende opleiding hoog aangeschreven stonden. Eenzelfde houding is nu noodzakelijk, in de strijd tegen wat de paus noemt de barbaarsheid van religieus extremisme.[3]
  2. iets wat getuigt van achterlijkheid
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. “Oorlog en Vrede” (1869), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028251151
  3.   Weblink bron “Paus roept Egyptische imams op religieus geweld te veroordelen” (28-04-2017), NOS