• bar·baar
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onbeschaafd persoon’ voor het eerst aangetroffen in 1348 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord barbaar barbaren
verkleinwoord barbaartje barbaartjes

de barbaarm

  1. een persoon zonder besef van waarden, smaak en/of gevoel
    • Wat ben je toch een barbaar! 
  2. een persoon die wreed van aard is, een wreedaard
    • Pas op voor die barbaar daar! 
    • Rondom Albert hield iedereen even de adem in. Toen barstte het geschreeuw los. De smeerlappen. Die moffen zijn nog geen steek veranderd, wat een smerig tuig! Barbaren, enz. En dan ook nog een jonge en een oude man! [3] 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]