Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·mo·biel·sec·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord automobielsector automobielsectoren
automobielsectors
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

automobielsector m

  1. (economie) alle breddrijven die verbonden zijn met de productie, verkoop en onderhoud van auto's
     De tegenvallende resultaten zijn vooral te wijten aan teruglopende verkoopcijfers in Zuid-Europa. President-directeur Philippe Varin zegt dat de cijfers "de verslechterende situatie weerspiegelen van de automobielsector in Europa".[1]
     De boodschap kwam voor de vakbonden en het personeel volkomen onverwacht, omdat het bedrijf het volgens Belgische media goed doet. DSM maakt in Genk kunststof voor onder meer de automobielsector en de bouw.[2]


Synoniemen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Peugeot-Citroën lijdt recordverlies” (Woensdag 13 februari 2013, 10:28), NOS
  2.   Weblink bron “Spontane staking bij DSM in Genk” (Dinsdag 27 november 2012, 17:52), NOS