Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·rest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord asrest asresten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

asrest v/m [1]

  1. wat overblijft na het verbranden van iets of iemand
     Klaas' vrouw Miet overleed in april, zo vertelt hij Vlaamse media vrijdag. Een paar dagen na de crematie kwam Klaas zijn deel van de asresten van zijn vrouw halen, andere familieleden kregen ook een deel. „Pas in de auto zag ik dat het om een koffiepotje ging. Ik was zó van slag dat ik de kracht niet had om te reageren.” Hij spreekt over minachting. „Zoiets doe je niet met een mens.”[2]
     Het meest bijzondere blikje in zijn museum is echter dat van 'meneer Hagens'. ,,Hoewel ik geen idee heb wie dat is. Het stamt uit 1863 en zijn naam en sterfdatum zijn erin gekrast 'W. Hagens WJM, overleden den 19 january 1863'. Er is al geopperd dat zijn asresten erin zijn bewaard. Maar cremeren in 1863? Iemand anders suggereerde dat het werd gebruikt om tabak in te bewaren. Ooit hoop ik dat er hier iemand binnenloopt die dit grote mysterie weet op te lossen." In ruil voor een lekkere pannenkoek, nemen we aan…[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Belg krijgt as van vrouw mee in oploskoffiepotje” (17 jul. 2015), De Telegraaf
  3.   Weblink bron JAN COLIJN “Drenthe: van bonen en blikken” (18 nov. 2015), De Telegraaf
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be