ankerpunt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ker·punt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ankerpunt ankerpunten
verkleinwoord ankerpuntje ankerpuntjes

Zelfstandig naamwoord

ankerpunt o [1]

  1. één van de uitstekende delen van een anker dat in de bodem haakt
  2. (figuurlijk) iets of iemand dat houvast geeft
    • Voor veel buurtbewoners is Slagerij Woorts inderdaad een sociaal ankerpunt. Jong en oud nemen plaats op het houten bankje dat tegen de etalageruit staat.[2] 
    • Het programma gaat duidelijk nog gebukt onder de afwezigheid van Albert Verlinde, die in al zijn verschrikkelijkheid toch een ervaren, vals-geestig en goed geïnformeerd ankerpunt van het populaire programma was.[3] 
    • Ook in de Tweede Kamer wordt kritisch gereageerd op de Rabobank. PvdA-Kamerlid Henk Nijboer vindt de manipulatie 'volstrekt onacceptabel. De Liborrente is het ankerpunt voor duizenden miljarden aan hypotheken en leningen aan consumenten en bedrijven. Geknoei met de vaststelling is misdadig en raakt aan de basis van het vertrouwen in het internationale financiële stelsel.'[4] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen