aanmeten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·me·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanmeten
mat aan
aangemeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

aanmeten

  1. overgankelijk de maat nemen voor
    • Hem werd een splinternieuw pak aangemeten. 
  2. doen alsof
     ‘En geloof me, met een grizzlybeer willen jullie geen ruzie krijgen. ’Op de achterbank had de tweeling zich een denkgezicht aangemeten.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be