Hoofdmenu openen

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Duit·ser
enkelvoud meervoud
naamwoord Duitser Duitsers
verkleinwoord Duitsertje Duitsertjes

Zelfstandig naamwoord

Duitser m

  1. (demoniem) een inwoner van Duitsland
    • Hij maakte op dat feest kennis met een Duitser. 
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

Duitser

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van Duits

Meer informatie

Gangbaarheid


Afrikaans