ziekenboeg

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·ken·boeg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ziekenboeg ziekenboegen
verkleinwoord ziekenboegje ziekenboegjes

Zelfstandig naamwoord

ziekenboeg m

  1. (scheepvaart) een deel van een schip in gebruik voor de opvang van zieken
    • De ziekenboeg werd overstroomd met patiënten. 
  2. overdrachtelijk een tijdelijke opvang van zieken of geblesseerden
    • En weer ging er een geblesseerde speler naar de ziekenboeg. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be