zedenles

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·den·les
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zedenles zedenlessen
verkleinwoord zedenlesje zedenlesjes

Zelfstandig naamwoord

zedenles v/m

  1. betoog of preek die het publiek tot meer behoorlijke opvattingen of gedrag moet brengen
    • Ik ben die zedenlessen van haar mee dan beu. 
  2. (letterkunde) verhaal of toneelstuk met een moralistische strekking
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen