zaagbek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaag·bek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaagbek zaagbekken
verkleinwoord zaagbekje zaagbekjes

Zelfstandig naamwoord

zaagbek m

  1. één van een aantal eendensoorten uit het geslacht Mergus die voornamelijk vis eten en een gekartelde snavelrand bezitten.
    • 's Winters zijn zaagbekken vaak in Nederland te zien. 

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be