woningprobleem


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wo·ning·pro·bleem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woningprobleem woningproblemen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

woningprobleem o

  1. het tekort aan woningen
    • Voor het woningprobleem bijvoorbeeld worden veel oplossingen aangedragen door de burgers zelf waar de overheid uit arrogantie niets mee doet. De overheid zit op een andere planeet en is bezig met eigen spelletjes en dubbele agenda’s.[1] 
  2. moeilijkheid bij het vinden van een geschikte woning
    • Niels Joosten vertrekt als burgemeester van Doetinchem. De VVDér was sinds maart tijdelijk weg. Hij kreeg verlof, zodat hij een echtscheiding kon afronden en een oplossing kon vinden voor zijn woningproblemen.[2] 
    • „Als je arm bent kan je woningproblemen hebben, ruzie in de familie, je hebt meer moeite om rekeningen te betalen, je zult waarschijnlijk vaker verhuizen. Dat zorgt voor stress in gezinnen, ook bij de kinderen”, aldus hoogleraar Gary Evans van de Cornell Universiteit in de staat New York.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 28 aug. 2015 Spreekuur bij de overheid
  2. de Telegraaf 30 mei 2016 Burgemeester Doetinchem stopt
  3. de Telegraaf FIDES CIBLAK 15 nov. 2012 Armoede maakt dom