• waar·door·heen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     doorheen  
 persoonlijk     erdoorheen  
aanwijz.   nabij     hierdoorheen  
  veraf     daardoorheen  
  vragend/betrekk.     waardoorheen  

(scheidbaar)
waardoorheen

  1. vragend: door+wat+heen?:
    • Waardoorheen is die kogel de ruimte binnengekomen? 
    • Waar reed hij doorheen? 
  2. betrekkelijk: door+dat+heen, door+hetwelk+heen:
    • Dit is het raam waardoorheen die kogel de ruimte binnengekomen is. 
    • U weet best waar u doorheen gereden bent.