vuilblik


Nederlands

 
vuilblik met stoffer
Uitspraak
Woordafbreking
  • vuil·blik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuilblik vuilblikken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vuilblik o [1]

  1. voorwerp waarop men vuil kan vegen
    • ‘Ze hebben een hekel aan kinderen’, zeggen ze in koor. De ‘hekel’ vertaalt zich volgens de buren al jaren in een ‘waslijst van pesterijen’. ‘Ze roepen de kinderen na als ze over het trottoir voor hun deur durven te stappen of fietsen’, zegt Barbara. ‘Meneer achtervolgde er al eens een paar met zijn riek. En mevrouw probeert ze te verjagen door met een vuilblik op een emmer te slaan. Ik weet dat kinderen al eens lawaai maken, maar daarvoor moet je ze toch niet achtervolgen? Soms komen ze hier bibberend binnen. Ze zijn bang, ja.’[2] 
    • Op zaterdag 21 maart begint de lente. Volgens de Fietsersbond is dat hét ideale moment voor een grote lenteschoonmaak van de fietspaden. Alle afdelingen van de fietsersorganisatie trekken er die dag op uit met bladblazers, schoppen, vuilblikken en borstels om alle rommel van de fietspaden te verwijderen.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen